Extra
Nelleke Noordervliet over Coetzee
Op 17 mei 2010 sprak Nelleke Noordervliet in de Philharmonie in Haarlem over het leven en werk van Coetzee tijdens een avond over de Zuid-Afrikaanse schrijver. Hieronder de tekst van de lezing.
Begin jaren 80, in de tijd dat we met honderdduizenden demonstreerden tegen de plaatsing van kruisraketten in onze achtertuin bedoeld om de dreiging van het Sovjet-blok te pareren, las ik Waiting for the Barbarians. Het was mijn eerste kennismaking met het werk van Coetzee. Ik was onder de indruk van zijn stem.
Een vrij ongrijpbaar maar wezenlijk onderdeel van het schrijven is het vinden van de tone of voice, de stem. Soms ontbeert een roman een stem. Hoewel het een geslaagd produkt kan zijn: personages in orde, dialogen prima, constructie stevig, thematiek uitgewerkt, dan nog kan de roman als geheel bloedeloos blijven, niet haken, niet raken, je geen millimeter uit het lood slaan. Dat zit hem in de stem, niet te verwarren met het begrip ‘verteller'. De stem hoeft niet warm te zijn of geanimeerd. Hij kan koel zijn, afstandelijk, nuchter. De stem klinkt en zingt, prevelt en fluistert, roert een trom, of is van staal. De stem trilt door in de ziel van de lezer.
Coetzee's stem zat in mijn geheugen, maar ik volgde hem niet meteen op de voet. The Master of Petersburg bond me pas voorgoed aan Coetzee. Het is niet zijn bekendste roman, ook niet zijn toegankelijkste. Daarna heb ik al zijn romans tot dan toe gekocht en gelezen en herlezen. Disgrace was de eminente bevestiging van een ongemakkelijke waarheid die Coetzee door middel van zijn fictie de lezer - en zichzelf - voorhoudt. Ik was juist in die jaren een paar maal in Zuid-Afrika en ervoer het effect van de roman op de gemeenschap waarin hij speelt. In de discussies met blanke Afrikaners bleek hoezeer ze worstelden met de aanpassing aan de veranderde omstandigheden. Hoe ze worstelden met schuld en verantwoordelijkheid. Hoe ze zich voortdurend rechtvaardigden. Hoe ze het onrecht dat hen werd aangedaan weigerden af te zetten tegen het onrecht dat ze zelf anderen aandeden. Ik probeerde erachter te komen hoe Coetzee het doet, wat er gebeurt, waar het gebeurt. Pathos en effectbejag zijn hem vreemd. Hij haalt de lezer binnen, stukje bij beetje als een goede visser. Hij is een slimme vos, hij laat zich niet betrappen. Hij ontsnapt. Hij is de Houdini van de literatuur.
Ontsnapt hij aan de dwangbuis en de valkuil van de autobiografie?
De drie romans Jongensjaren, Portret van een jonge man en Zomertijd zijn niet autobiografisch in oppervlakkige zin. Ze zijn geconstrueerd, gefictionaliseerd. Ze mengen de kenmerken van twee genres. Zomertijd vertoont zelfs de kenmerken van een derde: het ‘making of' genre. De biograaf van de auteur Coetzee leegt zijn la met losse aantekeningen van het personage Coetzee zelf, verslagen van interviews met ex-minnaressen en kennissen, het materiaal voor wat een levensbeschrijving moet worden. Het is een afgeleid produkt. Geen echt boek, maar de mogelijkheid ertoe. Hoe voorlopig en onaf ook: toch een boek. Op de titelpagina staat de auteur vermeld: J.M. Coetzee. We denken hier in Haarlem aan de Droste-verpleegster.
De drie autobiografische romans leren de auteur kennen als mens voor hij als schrijver bekend werd. Het verborgen leven van Jezus. Ze geven de visie van de schrijver op zijn jongere ik via de blik van anderen, de verteller, de biograaf, de geinterviewden. Coetzee leent de stem van een ander om het verhaal van zijn jeugd en jonge jaren te vertellen. Hij schept daarmee een grote distantie. Hij roept onbetrouwbare getuigen op. De vraag is of die getuigen nog onbetrouwbaarder zijn dan de autobiograaf zelf. Ze zijn in ieder geval op een andere manier onbetrouwbaar. Stevent de dubbele onbetrouwbaarheid net als de dubbele ontkenning af op een bevestiging, op de waarheid, op de dieper liggende waarheid?
Ik wantrouw van harte de autobiografie of autobiografische romans. De schrijver zit verborgen in zijn ‘gewone' fictie en dat is mij genoeg. Niemand hoeft te weten hoe en waar de fictie aansluit op het leven van de auteur. De schrijver zelf is niet interessant omdat hij schrijver is. Zijn persoonlijkheid is evenzeer een biografie of een autobiografie waard als de bakker op de hoek, die eerlijk werk aflevert en met hart en ziel in zijn kadetten zit. Helaas hebben veel hedendaagse lezers de onhebbelijke behoefte de vruchtbare aarde van de verbeelding te zeven op zoek naar het stofgoud van de werkelijkheid. De persoonlijkheidscultus doet het werk verdwijnen achter de man.
De onhebbelijke behoefte van de lezer wordt niet zelden gedeeld door de schrijver zelf. Hij is mens en niets menselijks is hem vreemd. Veel schrijvers hebben dus als alle mensen de weerzinwekkende neiging voornamelijk over zichzelf te praten en daarbij zichzelf beter, intelligenter, socialer, of juist autistischer en excentrieker voor te stellen dan ze in werkelijkheid zijn. Schrijvers mythologiseren het eigen ik met grote toewijding en verdienen er hun brood mee. De produkten van die folie à deux van zelfmythologiserende schrijver en op het echt-gebeurde beluste lezer vormen - uitzonderingen daargelaten - het literaire equivalent van het roddelblad.
Autobiografisch werk van een auteur die zo overduidelijk heeft laten blijken als mens niet in het centrum van de belangstelling te willen staan, die op het anecdotische af een sociaal talent mist, moet desondanks worden geplaatst a. in de traditie van de zelfonthullingsautobiografie vanaf Augustinus en b. in de hedendaagse persoonlijkheidscultus. Als de persoonlijkheidscultus voornamelijk valse authenticiteit oplevert, moet die in evenwicht worden gebracht door de oprechte authenticiteit van genadeloos zelfonderzoek. De ik-vorm is daarvoor inmiddels te besmet, te zelfverheerlijkend of te therapeutisch. De keuze voor de distantie van een verteller is daarmee plausibel. Autobiograaf trekt de jas van de biograaf aan. Maar de dreiging van geperverteerde ijdelheid of de koketterie van agressieve bescheidenheid is nog niet afgewenteld. Daarvoor moet ook duidelijk een spel met de waarheid worden gespeeld.
Het is de spanning van de weerbarstige poging openlijk het eigen ik te behandelen als een romanpersonage in het volle bewustzijn van alle valkuilen waarin de auteur/autobiograaf kan trappen, die de lezing van de drie autobiografisch getinte boeken van Coetzee zo raspend en stekelig maakt, een ervaring die literatuur over het algemeen zelden oproept.
Het kind in Jongensjaren krijgt nog de meest traditionele behandeling. Het is duidelijk dat de jongen intelligent, gevoelig en bijna overbewust is van zichzelf. Er loopt voortdurend een strenge innerlijke meester mee met het kind, die niet alleen het eigen handelen maar ook dat van vader en moeder beoordeelt en becommentarieert. Of die strenge meester de latere auteur is, die de sensitiviteit van de jonge John inkleurt dan wel een eigenschap van de jongen zelf, blijft zorgvuldig in het midden. Het wat eenzelvige kind heeft wel degelijk vriendjes, is tot op zekere hoogte een sociaal wezen.
Door het schild van strenge zelfobservatie dringt opeens een ongefilterde emotie heen zo teer en kwetsbaar, dat het de drie boeken lang op de achtergrond blijft klinken: de liefde voor de plek, de plaas, waar hij niettemin niet thuishoort. ‘Maar in het diepst van zijn hart weet hij wat de boerderij op haar manier ook weet: dat Voëlfontein aan niemand toebehoort. De boerderij is groter dan zij allemaal.' Het is een verspilde, bittere, onbeantwoorde liefde voor het land waar de blanke Afrikaners thuiszijn maar niet thuishoren. Dat laatste wordt niet zozeer veroorzaakt door de immigratie die al zolang gelden heeft plaatsgevonden als wel door de machtsuitoefening van de blanke Afrikaners over de rest van de bevolking. Maar de plaas staat voor meer. De liefde van John is ook een verspilde, bittere, onbeantwoorde liefde voor de wereld, voor het leven. Schaamte is het resultaat.
Het motto van Portret van een Jongeman is niet voor niets een strofe uit Goethe: "Wer den Dichter will verstehen, musz in Dichters Lande gehen'. Het land is de sleutel tot de schrijver en zijn werk. De moeizame verhouding tot het land drijft de jonge wiskundige die later schrijver zal worden Zuid-Afrika uit. Uiteraard is het motto voor meerdere uitleg vatbaar. Om de schrijver te begrijpen, moet je doordringen in het landschap van zijn geest, dat hij ontvouwt in zijn werk. De schrijver is kenbaar in zijn werk.
Uit de wereldse biografische feiten van Coetzee weten we dat zijn verblijf in Londen niet helemaal is verlopen als hij in Portret van een Jongeman schetst. Het doet er niet toe. We zijn allang op een ander niveau van de autobiografie aangeland, daar waar fictie een sterker middel is om de werkelijkheid te beschrijven dan feiten. Het is de ultieme verdediging van de roman als genre. De jongen uit Jongensjaren wordt man en leert zichzelf kennen, maar niet liefhebben. De werkelijkheid en het verwachtingspatroon dat hij van zichzelf heeft lopen te ver uiteen. Van de twee keuzes die een mens dan overblijven: zelkfkastijding of het verwachtingspatroon bijstellen is er voor de verteller maar een mogelijk. De zweep erover.
In Zomertijd is de biograaf van Coetzee aan het woord. Hij interviewt oude kennissen van de inmiddels bekende schrijver. De distantie die in de eerste twee boeken de normale fictionele distantie van de verteller had, wordt nu nog groter. Het licht wordt via een spiegel gestuurd. Het is het licht van de maan. Net zo spookachtig en indirect. Het beeld van de jongen, die man werd en terugkeerde naar zijn land en zich voorbereidt op het schrijverschap krijgt geen zachtere trekken. De biograaf weet niet wat hij met het materiaal uit de aantekeningen en de gesprekken aanmoet. Was dit nu de bekende schrijver? Schaamte wordt niet meer meegedeeld maar is de vorm waarin het boek tot de lezer komt.
Hoe verhoudt de schrijver zich tot de ander? Dat heeft de zogenaamde biograaf trachten te achterhalen. Als schrijven een vorm is van contactzoeken schrijft hij dan vanuit een tekort of vanuit overvloed? Schrijven/lezen is een uitermate intieme gebeurtenis. De verhalen van de geinterviewden draaien om de mate waarin Coetzee tot intimiteit in staat is in zijn verhouding tot hen. Dat houdt niet over. Over het algemeen staat Coetzee niet bekend om zijn gevoel voor humor, maar in Zomertijd vinden we een weergaloos geestige, pijnlijke en daarom tekenende passage. John neemt een bandje van het strijkkwintet van Schubert mee naar zijn minnares en draagt haar op de liefde met hem te bedrijven op het langzame deel. ‘Ik weet niet of u zich het langzame deel herinnert,' zegt de ex-minnares tegen de biograaf, ‘maar er is een lange vioolaria met de bonkende altviool op de achtergrond, en ik kon voelen dat John de maat daarvan probeerde aan te houden. Het hele gedoe kwam geforceerd, belachelijk op me over. Op de een of andere manier deelde mijn afstandelijkheid zich aan John mee. ‘Maak je hoofd leeg!' siste hij tegen me. ‘Voel door de muziek!'" Het experiment valt totaal in duigen. Ik heb altijd sterk de erotiserende gepassioneerde lading van Schuberts strijkkwintet ondergaan. Nu kan ik het helaas nooit meer horen zonder aan deze scène te denken.
Schrijven is de enige vorm van intimiteit waarin de auteur op afstand blijft en toch nabij is, waarin hij de muziek maakt en de maat aangeeft.
Alle psychologie is gemakzucht ten overstaan van life and times of John Michael C. maar toch dringt zich de vraag op naar de exitstrategie. Hoe kan Coetzee zichzelf in zijn werk nog verder wegschrijven? Wie wil hij zijn? Hoe kan hij zonder passie en empathie, zonder kracht en ruggengraat - want dat is het beeld dat de vertellers van hem schetsen - eigenlijk schrijver zijn? Dat kan hij niet. Aangezien hij schrijver is, Nobellaureaat zelfs, moet uit dat feit met terugwerkende kracht worden geconcludeerd dat in de onhandige, enigszins schuwe jonge man een kracht school, die hij wel in zichzelf vermoedde, maar waarvan hij niet wist hoe hij die moest bevrijden, totdat hij daadwerkelijk ging zitten en schreef. Sommige lezers en critici noemen dat zelfportret ontluisterend. Dat is het niet. Het is een correctie op de pretentie van het ego. Het is de demonstratie van de ware kracht. Het is een bewijs van de morele taak van de schrijver met onthecht oog zowel de werkelijkheid als zichzelf in de werkelijkheid te beschouwen. Wie de ander de maat neemt, kan zichzelf daar niet aan onttrekken. Hij doet dat in de vorm van fictie, verhevigde werkelijkheid. Niet ijdel, maar wel een tikje demonstratief.
Zomertijd markeert het moment dat de falende man Coetzee schrijver wordt. Daarna is hij aanwezig in zijn fictie, soms in een opzichtig alter ego als Elisabeth Costello, soms meer in het verborgene in The Master of Petersburg. Vanaf het moment dat hij fictie schrijft gaat de persoon van de auteur op in zijn werk. Om zijn hele leven consequent in dienst te stellen van de literatuur moest hij ook zijn verborgen jaren in zijn fictie betrekken. Coetzee bestaat niet meer. Coetzee gaat restloos op in zijn werk.
Nelleke Noordervliet maakt Literaire Boekenquiz VPRO Gids
De jaarlijkse Literaire Boekenquiz van de VPRO Gids is dit jaar samengesteld door Nelleke Noordervliet. De quiz wordt ieder jaar in de week voor de Boekenweek uitgeschreven. De VPRO Gids ligt nog tot woensdag 10 maart in de winkel. Antwoorden insturen kan tot en met 15 maart.
Zonder noorden komt niemand thuis op Longlist Libris Literatuurprijs 2010
De nieuwe roman van Nelleke Noordervliet staat op de Longlist van de Libris Literatuurprijs 2010.
De short list wordt door de Jury, Joris Gerits, Joke Hermsen, Susan Smit en Aleid Truijens onder voorzitterschap van Hans Wijers, op 22 maart bekend gemaakt.
Zonder noorden komt niemand thuis genomineerd voor Beste Rotterdamse Boek 2009
Zonder noorden komt niemand thuis staat op de shortlist van de verkiezing van het Beste Rotterdamse Boek 2009. De prijs, die op donderdag 11 maart wordt uitgereikt, wordt georganiseerd door de bibliotheek Rotterdam en Metro.
De prijs is een publieksprijs, lezers en geinteresseerden kunnen stemmen en zo de winnar bepalen.
Breng uw stem uit via www.besterotterdamseboek.nl. Stemmen kan tot 8 maart.
Leesclubvragen Zonder noorden komt niemand thuis
Speciaal voor leesclubs is er een aantal vragen ontwikkeld die kunnen helpen bij het bespreken van het boek.
1) Begrijpt u de titel?
2) Wat vertelt de eerste alinea over de hoofdpersoon?
Komt u die gegevens in de rest van het boek tegen?
3) Het boek speelt in het Canadese Horn. Hier is research voor nodig. Hoe vindt u die informatie in het boek geintegreerd?
4) Zowel Beverly Walker als Robert Andersen zijn als vreemdeling buitenstaander in een hechte gemeenschap. Verklaart dat de fascinatie van Robert voor Beverly Walker?
5) Ziet u een parallel tussen de verdwijning van Suzanne en die van Beverly Walker?
6) Hebt u een beeld gekregen van zijn huwelijk met Suzanne?
7) Waarom heeft Robert Beverly's verdwijning nodig om tot zelfinzicht te komen?
8) Vindt u dat Robert zijn zoektocht positief beëindigd heeft gezien de gehele laatste alinea?
Voor quotes over het boek en de volledige recensie uit Noordhollands Dagblad van Sonja de Jong, klik hier.
Voor meer informatie over het werk van Nelleke Noordervliet kunt u het interview met Maria Heiden naluisteren via deze link.
'Spot de poster' en win een boek (12-11-2009)
Fotowedstrijd Zonder noorden komt niemand thuis
Win nu één van de 25 exemplaren van de nieuwe roman van Nelleke Noordervliet: Zonder noorden komt niemand thuis. Maak een foto van een advertentieposter ergens in Nederland en stuur deze naar pramstel@amsteluitgevers.nl.
Over Zonder noorden komt niemand thuis:
Echt een goed verteld verhaal. [...] Alle eindjes zitten goed in elkaar. Het is een boek met echte grote thema’s. [...] Vakwerk. - Pieter Steinz in de TROS NIEUWSSHOW
Meeslepend als een detective. […] Verbeeldingsvol roept de schijfster de overweldigende natuur in Canada op, die de van zijn verleden los geraakte Robert dreigt op te slorpen. - TROUW
Met haar sobere en koele formuleringen, wars van al te veel pathos, schetst Noordervliet overtuigend haar mannelijke hoofdfiguur, de nieuwe Robert. - VRIJ NEDERLAND
Zonder noorden komt niemand thuis is verschenen.
Zonder noorden komt niemand thuis ligt in de winkel. Nelleke Noordervliet maakte als promotie van het boek een filmpje. U kunt het filmpje hier bekijken.
Zonder noorden komt niemand thuis verschijnt op 29 oktober

Vanaf 29 oktober ligt het nieuwe boek van Nelleke Noordervliet in de winkel.
Op de dag dat de moordenaar van zijn vrouw, die zijn straf heeft uitgediend, wordt vrijgelaten, vertrekt Robert Andersen naar Canada. De gedachte dat hij de man kan tegenkomen in de bioscoop, in de tram, bij een voetbalwedstrijd, is onverdraaglijk. Via internet heeft hij een huis gehuurd. Eenmaal ter plekke hoort hij dat de eigenaresse, Beverly Walker, spoorloos is verdwenen. Geïntrigeerd vraagt hij de buren en andere dorpelingen wie zij was en wat er gebeurd kan zijn. Beverly Walker blijkt niet de oude hippie te zijn waarvoor hij haar hield, afgaande op de inrichting van haar huis en haar spullen. Ze was een lastpak, een fantaste, een gedrevene. De meeste dorpelingen hadden niet veel met haar op, haar verdwijning wordt steeds raadselachtiger.
Op vrijdag 23 oktober vindt u een voorpublicatie van het boek op de website van Athenaeum Boekhandel in Amsterdam, http://www.athenaeum.nl/.
Nelleke Noordervliet op de boekenbon
Ter ere van de 75e verjaardag van de Boekenbon zijn er geheel nieuwe boekenbonnen ontworpen door Jaap Drupsteen. Op de nieuwe boekenbon van 10 euro staat Nelleke Noordervliet afgebeeld. Hier kunt u de onthulling van de boekenbonnen bekijken.
Nelleke Noordervliet: 'Het geven van een Boekenbon getuigt van grote hartelijkheid en inzicht in het wezen van de lezers.'

Nieuwe roman Zonder noorden komt niemand thuis verschijnt in november
De nieuwe roman van Nelleke Noordervliet, Zonder noorden komt niemand thuis zal in november 2009 verschijnen. Hieronder vindt u al het omslag en de flaptekst van het boek.

Hij roeide de boot over het meer zoals bij ons een dominee op een groot zwart rijwiel door de polder fietst. De riemen kraakten en piepten in de dollen. Een ander geluid was er niet, behalve de verlegen kabbeling van het water tegen de boot, dat even luider fluisterde als Hans de riemen doorhaalde. Wij tweeën zwijgend. Toen het anker ons zo’n beetje op dezelfde plek hield, was in de zoele, zachte wind niets meer hoorbaar. We zweefden. Het meer bood ons op een grote spiegelende hand aan de hemel aan. Het was vroeg in de ochtend.
Op de dag dat de moordenaar van zijn vrouw, die zijn straf heeft uitgediend, wordt vrijgelaten, vertrekt Robert Andersen naar Canada. De gedachte dat hij de man kan tegenkomen in de bioscoop, in de tram, bij een voetbalwedstrijd, is onverdraaglijk. Via internet heeft hij een huis gehuurd. Eenmaal ter plekke hoort hij dat de eigenaresse, Beverly Walker, spoorloos is verdwenen. Geïntrigeerd vraagt hij de buren en andere dorpelingen wie zij was en wat er gebeurd kan zijn. Beverly Walker blijkt niet de oude hippie te zijn waarvoor hij haar hield, afgaande op de inrichting van haar huis en haar spullen. Ze was een lastpak, een fantaste, een gedrevene. De meeste dorpelingen hadden niet veel met haar op, haar verdwijning wordt steeds raadselachtiger.
Snijpunt van Nelleke Noordervliet bij tentoonstelling Best Verzorgde Boeken
Snijpunt van Nelleke Noordervliet is uitgeroepen tot een van de Best Verzorgde Boeken van 2008. Vanaf woensdag 1 juli vindt in de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam een tentoonstelling plaats van alle Best Verzorgde Boeken 2008.
Snijpunt zal onderdeel uitmaken van deze tentoonstellen.
Het omslagontwerp van Snijpunt is van Tessa van der Waals, de vormgeving van het binnenwerk was in handen van Suzan Beijer.
Best Verzorgde Boeken 2008
Van 1 juli tot 20 september
Oude Turfmarkt 129
1012 GC Amsterdam
Bijzondere Collecties
Maandag t/m vrijdag 09.30–17.00 uur.
Snijpunt van Nelleke Noordervliet staat op de longlist Libris Literatuurprijs 2009.
Nelleke Noordervliet in gesprek met Rik Felderhof in Schrijvers op de veranda
Op zaterdag 18 oktober zond de NCRV een gesprek uit tussen Rik Felderhof en Nelleke Noordervliet in Felderhofs nieuwe programma Schrijvers op de veranda. Hierin praat Rik Felderhof vanuit Tanzania met schrijvers over hun werk en hun leven.
Het programma is terug te zien uitzendinggemist.nl of de website van Schrijvers op de veranda.
Minnaar uit de insektenwereld
Bram de Vink vond op een exemplaar van Snijpunt een zeer bijzondere fan van Nelleke Noordervliet.
Hieronder vindt u de lezing van Nelleke Noordervliet die zij uitsprak op het symposium over neo-sensorship in het kader van de Amsterdam Wereldboekenstad
Amsterdam, 18 september 2008
I was born in 1945, just after the second world war. I grew up with stories of occupation, resistance, fear. The message was clear: never again.
I grew up in a democracy.
I never knew what it was really like to live in fear. But I heard stories, I read books, I had friends in Eastern Europe who told me what it was like.
I made a shocking discovery when I first realized that the majority in a democracy can vote against itself, like the German people had done when they voted for Hitler. They put a muzzle on their own mouths.
A democracy is not an ideal system, but it is the best we have. We need to cherish it and cherish the values it is built upon. Even if those values are contradictory.
So what is important? To me as a person and a writer.
Safety.
I need to feel safe.
I need to be free from fear.
As a free and responsible citizen I can choose to exercize the freedoms I have or to restrain myself. I am free to write an article in the newspaper and criticize the government. I am free not to do so. Because I feel safe and secure in our democracy, I feel safe in my right to express an explosive opinion. I will not be arrested. I will be contradicted. Contradiction is healthy.
The law guides me. Tha law is not just an instrument, it is our moral code. The law says what I can do or cannot do. What I can say or cannot say. The law garantuees my safety. Democracy garantuees my safety. If I make the wrong choices, if my actions or my words threaten the safety and freedom of other people, the law will correct me. Society will correct me.
The law is not an easy guide. It is not clear on all subjects. For example: ‘all freedoms are created equal'. But are they? The freedom of religion can be in conflict with the equality we want between men and women. If a religion supports the inequality of men and women, what am I to do? I can choose to speak out against that religion. I can choose not to speak out. I grant them the same right as I have: to speak out against my convictions. Or not. But in speaking out we try to deal with our conflicts, not hide them.
In my opinion constitutional freedom of religion is not necessary. It just makes easy things more complicated. Freedom of religion is covered by the freedom of expression. Religion is an opinion in itself, nothing more nothing less however sacred we may hold that opinion. In the freedom of expression the constitution guarantuees the right to express your opinion, and keeps the manifestations of religion in the realm of privacy.
My neighbour thinks differently. We do not agree on many things. To her religion is holy, is everything, church and state are not to be separated. I have no religion. I think a high moral standard is perfectly possible without a God. I even think religion can be a source of fear and a threat to freedom. She considers my opinion not only false, but she thinks I am evil. Everything I say about religion is a mockery to her. It is easy to see how both points of view can be expressed in an insulting way. We both think we are right. There is no way to decide who is right and who is wrong. We have to live with our differences.
Do I have to restrain myself and keep my mouth shut about the convictions of my neighbour? I may want to, because I like my neighbour, even if we do not agree. I am free to do so, because I feel safe and free from fear. But if she forces me to restrain myself, she makes me fear her. I do not feel safe. If I force her to restrain herself, she will fear me. She will not feel safe. How to reconcile opposing opinions?
Can she feel safe knowing that I do not live according to her cultural and religious rules? Can I feel safe knowing that she thinks I am evil? First question is: do we have to reconcile opposing opinions? Do we have to understand each other? Not if we try to find a common ground apart from our differences of opinion, knowing that we live together in this society with its laws and traditions and with its flexibility.
Out of courtesy I can spare her feelings, and sometimes I will. Out of courtesy she can spare mine. Courtesy is an important value in our society.Courtesy is only possible when I feel safe and free. Fear breeds no courtesy.
I think in this country on the whole everything works out fine. But there are incidents. We give them a lot of weight, because we fear the possibility of fear. Everything changes so quickly and completely that we are afraid to lose our bearings, ourselves.
I know an old woman who is afraid to leave her house, because she feels threatened by boys who scold her and her society. Can she be courteous? No, she does not feel free. She does not feel safe. I know a man who speaks his mind so freely, that every word he says against a religion, a culture or a group of people seems to be an insult. What do I do? I talk to him about his opinions. We have a discussion. I cannot convince him to be more moderate. He is free to make his own choice. He is free to speak as he pleases, unless the law forbids him to do so. I must not fear for his life. I must not tell him: be careful, words don't kill, but someone will kill for words.
Honesty and openness, even if its hurts, shows more consideration with other peoples feelings and safety than hidden anger, disgust, and fear. I will fight for my freedom to be polite. I will fight for the freedom to be honest. I will fight for everybody's duty not to feel insulted by the opinion of others, because we are safe in our democracy.
The price for safety and freedom is conflict.
I live in a democracy.
I have no fear.
I feel safe.
I will not look over my shoulder.
I will not be my own censor, my own janitor, my own oppressor.
I will not let anybody else be my censor, my janitor, my oppressor.
I will not be a censor, a janitor, an oppressor to anybody else.
Nelleke Noordervliet opende op 1 september 2008 het academisch jaar in Nijmegen. Hieronder vindt u haar speech van die dag.
1.
Het was in 1950 of 1951. De oudste zus van mijn vader verbleef al enige jaren in een klooster vlakbij Axel. Zeeuws Vlaanderen lag ruimschoots buiten onze horizon. Maar mijn vader was automonteur en moest soms de nieuwe auto van een klant ‘inrijden' - en dus gingen we naar zuster Barbara! Voor mij was het een eerste reis buiten Rotterdam die verder ging dan Hoek van Holland. De tocht naar het zuiden over de Moerdijkbrug waar oom Kees op de eerste oorlogsdag was gesneuveld moet van minuut tot minuut ergens in mijn geheugen opgeslagen liggen, maar er is mij helaas niets anders van bijgebleven dan een beeld en een geur. De universele geur van kloosters (boenwas, groentensoep en verschaalde wierook) snoof ik voor het eerst op. Het beeld is de nadering van de boerka-achtige omhulling waarin mijn tante-zuster stak. Ik verdween voor een kus in de witte gesteven tunnel rond haar bleke maar vriendelijke gelaat. De grootste opwinding van de reis was echter voor mij de mogelijkheid de grens met België te hebben overschreden. Zijn we over de grens geweest, papa? Ja, heel even. Maar ik heb niets gezien! Sommige wegen gaan even Belgie in en dan weer gauw terug.
In datzelfde jaar kwam mijn vader thuis met twee boeken die voor een deel mijn jeugd hebben bepaald: de sprookjes van Andersen, geïllustreerd door Rie Cramer, en de Wereldatlas van de Bezige Bij. Ik kon er uren in kijken. Van Andersen en Rie Cramer leerde ik dat er geen grenzen zijn aan de verbeelding. Van de atlas leerde ik hoe groot en vreemd de wereld was. Veel verder en vreemder dan België. Ik staarde naar plaatsnamen naast zwarte stipjes in een lila of oker of mosgroen gekleurd grondgebied. Ik keek naar de foto's. Ik zag naakte kinderen tegen het decor van een steil oprijzende citadel. Het bijschrift sprak van Tiflis. Dat die kinderen daar speelden, leefden. Naakt nog wel. En ik hier. En dat we elkaar niet kenden. En dat ik nooit in Tiflis zou zijn en zij nooit in Rotterdam...Boven die boeken heb ik gedroomd dat de stukken eraf vlogen.
Wat dacht ik als dromend kind? Welk beeld schemerde aan de horizon van mijn gedachten? Ik reikte naar een toekomst, naar kennis en ervaring, naar bewust ‘zijn'. Dat overkomt elk kind dat - nog nat als een pas ontpopte vlinder - zich bewust wordt van zijn grenzen, van zichzelf. Hij komt uit de magische eerste jaren van zijn leven waarin hij een is met de kosmos, daalt neer in zijn eigen ik, krijgt er meteen het nog ongeoefende vermogen bij uitgereikt zich dingen te herinneren en het eerste wat hij doet is dromen van ontsnappen. Nee, ik zal het positiever zeggen, met het besef van het ‘ik' doet het doel zijn intrede in het leven, de wil en het verlangen. Ja, en natuurlijk ook de eenzaamheid en het besef van vergankelijkheid. Het kind droomt van vervulling en vervolmaking, van de realisatie van alle potenties en talenten die in het kleine lichaam liggen te wachten. Grenzen overschrijden. Maar hij kan het niet zeggen. Het vermogen te dromen en die droom als een zoeklicht de toekomst in te sturen is een wezenlijk kenmerk van de onderzoeker, die in elk kind steekt. Ik ben het niet geworden, maar de zaal hier zit vol met dromende kinderen, oud en jong.
2.
Het is 1907. De kleine Vladimir Nabokov speelt op de zolder van het familiehuis in de buurt van Sint Petersburg. Hij vindt er boeken, papieren, tekeningen, gedroogde bloemen, herbaria. Zijn grootmoeder heeft ooit geliefhebberd in de biologie in een tijd dat wetenschap een beetje een modeartikel was. Hij is gefascineerd door de uiterst precieze en kleurrijke weergave van rupsen en vlinders en insekten op prenten van Maria Sibylla Merian die dan al 200 jaar dood is. Het is een boek over Suriname. Die tekeningen helpen hem aan zijn levenslange liefde voor vlinders.
Maria Sibylla Merian werd geboren in Frankfurt in 1647, als dochter van de befaamde graveur Mathias Merian de Oudere, die twee zoons had uit een eerder huwelijk, net als hij graveur. Na de dood van Mathias vond Maria's moeder een nieuwe graveur om het leven mee te delen, Jacob Marrel, die ook schilder van stillevens en kunsthandelaar was. Maria Sibylla werd omgeven door kunst. Kunst was een echt ambacht, meer dan een romantisch-esthetische roeping. Meisjes mochten wel schilderen, maar waren uitgesloten van het officiële grote werk: het schilderen van historiestukken en naakten. Ze zochten dus hun heil in de huiselijkheid en de nabijheid, in bloemen en guirlandes. Die weg lag ook voor Maria Sibylla open. Haar stiefvader bracht haar de beginselen van zijn vak bij. Maria deed binnen de grenzen die haar waren gesteld als vrouw meer dan men zou verwachten. Ze vond een thema dat haar boeide en levenslang bezighield. Dat thema lag letterlijk binnen handbereik. In de tuin, in de buurt, in het bos. Ze was eindeloos geboeid door de metamorfose, de gedaanteverandering, de beweging, het overschrijden van een grens. Eerst rups dan pop, dan opeens vlinder. Ze keek heel precies en schilderde en tekende uiterst nauwkeurig wat ze zag in de verschillende stadia van het proces. Daartoe verzamelde ze materiaal uit de natuur, ze las wat erover geschreven was - voor zover ze daar toegang toe had - en niets of niemand kon haar afhouden van dat verzamelen, kijken, en weergeven. Met die volharding, die obsessie, dat niet op kunnen houden, die totale overgave overschreed ze grenzen, letterlijk, maar ook figuurlijk. Hoe ze daar zelf over dacht, welke weerstanden ze ontmoette, hoe ze daarmee omging, weten we niet. Ze heeft behalve wat aantekeningen bij haar werk en wat brieven weinig aan zelfreflectie nagelaten.
In 1699 vertrok Maria Sibylla met haar dochter vanuit Amsterdam waar ze een vooraanstaande positie innam, naar Suriname. Twee ongechaperonneerde vrouwen op een wetenschappelijke expeditie. Een ongehoord avontuur, maar voor Merian kennelijk iets vanzelfsprekends. Twee jaar lang zal ze in Suriname verblijven tot de warmte haar teveel wordt. Intussen doet ze een schat aan waarnemingen en legt die vast. Het zijn niet alleen fraaie bloemen en vlinders, maar ook insekten met nogal wrede gewoonten. Merian geeft geen oordeel. Ook al is voor haar de natuur een manifestatie van God en doet ze haar werk tot zijn eer, ze heeft geen ander motief dan exacte waarneming en weergave. Ze heeft geen agenda, behalve die van objectieve visie. Van de grenzen die ze daarbij overschrijdt en dus verlegt is ze zich niet of nauwelijks bewust. Ze is er niet op uit de wereld te schokken, anders te zijn. Hoewel zij de conventies kent, maakt ze het niet tot een programmapunt die conventies te tarten. Het gaat in een moeite door. Ze heeft een doel voor ogen en dat doel streeft ze heel eenvoudig na. Ze verwijdert alle obstakels op de weg naar het doel bijna gedachteloos en vanzelfsprekend. Op het grensvlak van kunst en wetenschap eist ze haar positie op als haar natuurlijke recht.
3.
In hetzelfde jaar 1907, waarin Nabokov het Surinameboek van Merian op zolder vindt, ontvangt koningin Wilhelmina een brief van H.M. Bernelot Moens. Hij heeft geweldige ideeën voor wetenschappelijke experimenten en zoekt geld om die uit te voeren. Voor die ideeën heeft hij al steun gekregen uit onverdachte hoek. De beroemde Duitse bioloog Ernst Haeckel gaf hem zijn zegen. Die Ernst Haeckel overigens was een waardig navolger van Maria Sibylla Merian. In zijn boek Kunstformen der Natur tekent hij zijn biologische waarnemingen uiterst artistiek en precies. Dat hij in zijn illustraties hier en daar iets verandert om zijn grensverleggende theorieën te staven doet aan zijn roem niet af. Die theorieën waren overigens zo grensverleggend dat ze onjuist bleken.
Wat wil nu onze Moens? Moens wil de missing link in de evolutie tussen mensaap en mens reconstrueren. Archeologisch onderzoek is te tijdrovend en onzeker. Beter is het de schepping versneld over te doen. Hij heeft een brochure geschreven om geld los te peuteren. De titel: Waarheid. Proefondervindelijke onderzoekingen omtrent de afstamming van de mens. Zijn onderzoek heeft drie elementen. Mensapen zullen worden geïnsemineerd met het sperma van ‘negers', zoals de in die tijd onschuldige benaming luidt. Even onschuldig want wetenschappelijk achtte men toen de opvatting dat diezelfde ‘negers' tot de lagere mensenrassen behoorden. Ten tweede: mensapen van verschillende soort worden met elkaar gekruist. En ten derde zal onderzoek worden gedaan naar bij de mens voorkomende ziekten door mensapen ermee te infecteren. Voornamelijk zou het daarbij gaan om syfilis, een wijd verbreide en nogal vervelende venerische kwaal.
Hoewel de Nederlandse regering, die Moens' brief behandelt, geen vertrouwen heeft in de plannen, komt de koninklijke familie privé erop terug. Ze steunen Moens. Piet de Rooy, die leven en werk van Moens beschreef in het meeslepende ‘Op zoek naar volmaaktheid' suggereert dat die steun vooral te danken - of liever te wijten was aan het feit dat Prins Hendrik aan syfilis leed en daarvoor regelmatig nare kwikbehandelingen onderging. De vele miskramen van de koningin werden ook aan de ziekte van haar echtgenoot toegeschreven.
Wat ons nu vooral tegen de borst stuit is het overschrijden van de grens tussen dier en mens en de hiërachie die binnen de species homo sapiens wordt aangebracht. De veranderde opvattingen over wat kan en mag zijn niet alleen het gevolg van de eugenetische experimenten die onverbrekelijk verbonden zijn met het gedachtengoed en de misdaden van het nazisme, er is ook in de loop van de twintigste eeuw een nieuwe verhouding ontstaan tussen wetenschap en ethiek.
4.
Op 16 juli 1945 vindt een test plaats met een atoombom in de buurt van Los Alamos, Verenigde Staten. De testsite is door de leider van het Manhattan project J. Robert Oppenheimer, Trinity genoemd. ‘...Waarom ik die naam koos,' zei hij in 1962, ‘is niet duidelijk, maar ik weet nog wel wat door mijn hoofd speelde. Er is een gedicht van John Donne, geschreven kort voor zijn dood, dat ik ken en waar ik van hou. Een citaat: ‘zoals west en oost op alle kaarten een zijn - en ik een ben, zo raakt de dood aan de wederopstanding.' [...] Dat maakt nog geen Drieeenheid, maar een ander, beter bekend gedicht van Donne begint zo: ‘Beuk mijn hart, drie-ene God,-‘ Verder heb ik geen idee.' Aldus Oppenheimer.
Dat een atoomfysicus uit de complexe zeventiende eeuwse poëzie van een intens religieus dichter put en daarmee in zichzelf kunst en wetenschap verbindt, is meer en meer een uitzondering. De wegen van kunst en wetenschap zijn helaas gescheiden geraakt. Het eerste gedicht refereert aan de eenheid van tegendelen in het licht van de eeuwigheid. God verwerpt eerst wie hij zal verheffen. Dat hoopt de dichter. Het tweede gedicht, Batter my heart, is een hartstochtelijke smeekbede aan God. Maak uw aanwezigheid kenbaar! Verlos me van het kwaad. Oppenheimer moet bij de naamgeving van het terrein hebben voorzien tot welke vernietigende gevolgen de experimenten zouden leiden.
Ook tijdens de daadwerkelijke proefexplosie op 16 juli getuigt Oppenheimer van dichterlijke inspiratie. Zijn reactie op het moment supreme werd - naar hij later vertelt - ingegeven door de Bhagavad Gita: ‘Als duizend zonnen in een keer aan de hemel zouden stralen, dat zou zijn als de pracht van de almachtige...' Nog een ander citaat uit hetzelfde gedicht speelt volgens hem door zijn hoofd ‘Nu ben ik de Dood geworden, de vernietiger van werelden.' Het zijn toepasselijke regels. Bijna als van tevoren uitgezocht of juist later toegevoegd om de importantie van de gebeurtenis als het ware met muziek te begeleiden. Nero en het brandende Rome, we kennen het principe. In werkelijkheid zei Oppenheimer volgens zijn broer alleen maar: ‘Hij doet het.'
Oppenheimer volvoerde zijn opdracht, gedreven door een politieke noodzaak, maar na de fatale bommen op Hiroshima en Nagasaki heeft hij zich beziggehouden juist met de praktische consequenties van wetenschappelijke ontdekkingen en de manier waarop of de mate waarin de grenzen van de wetenschap moeten worden bepaald door de opvattingen over de wenselijkheid van onuitputtelijke mogelijkheden. Hij heeft zich zijn verdere leven lang ingespannen om de nucleaire wapenwedloop tussen de VS en De Sovjet-Unie te dempen. Is hij Professor Lupardi of Professor Zonnebloem? In stripverhalen en science fiction wordt wetenschap waanzin of onzin, de wetenschapper kwaadaardig of verstrooid. Hij maakt krachten los die hij niet wil of die hij niet kan beheersen. Het karikatuur ontstaat uit angst.
De ontketende atoomfysica spreekt tot de morbide verbeelding. De miljoenen slachtoffers die werden gemaakt met conventionele wapens of fabrieksmatige uitroeiing waren op de een of andere manier slachtoffers op menselijke maat, gruwelijk en weerzinwekkend; de withete knal, de paddestoelwolk en de onzichtbare aantasting door zoiets ongrijpbaars als straling bieden een apocalyptisch perspectief. Het einde der tijden lijkt nabij en ligt in de hand van de mens, niet in die van een god. De mens neemt de allure aan van een god. De mens speelt voor God. In dat opzicht zijn de citaten van Oppenheimer programmatisch voor de latere twintigste eeuw en de vroege eententwintigste eeuw. De mens is God geworden maar moet nog met die almacht leren omgaan.
5.
Maria Sibylla Merian, in menig opzicht een grensfiguur, doet haar werk in de waarneming van de natuur vanuit een godsdienstige achtergrond maar met een moderne behoefte aan exactheid. Min of meer met oogkleppen op. Er is nog zoveel te ontdekken en te beschrijven. Ik begin gewoon hier. Optimistisch. Bernelot Moens heeft het controlerende geweten van de menselijke maat en de humanistische inslag van de geesteswetenschappen achter zich gelaten en begeeft zich fluitend op weg naar volmaaktheid, de niets en niemand ontziende reis naar het einde van de nacht in het licht van de eeuwige wetenschap en de vooruitgang. Het failliet van de aan de Verlichtingsidealen geparenteerde stelsels van fascisme en communisme en de daaropvolgende diskwalificatie van het vooruitgangsbegrip heeft zich in zijn tijd nog bij lange na niet aangekondigd. De fysicus Oppenheimer, vanuit zijn vak geïnteresseerd in de werking van de natuur tot in de kleinste onderdelen, een waarneming achter de waarneming van Merian, bemerkt hoe de belangeloze kennis wordt toegepast op een gebied dat buiten de sfeer ligt van puur wetenschappelijke nieuwsgierigheid, maar binnen het corrupte en machtshongerige domein van oorlog en vernietiging van menselijk leven. En hij heeft er zelf willens en wetens aan meegewerkt.
In mei 1989 schrijft Stephen Toulmin de inleiding bij zijn boek : Cosmopolis, de verborgen agenda van de moderniteit. Als het boek in 1990 verschijnt is de wereld veranderd. Maar de historische analyse van de basis onder onze wetenschappelijke voeten blijft geldig, en de vragen die hij stelt over de verantwoordelijkheid van de wetenschappelijke onderzoeker en grenzen van de vooruitgang, blijven urgent. Hoe kunnen wetenschap en humanisme weer worden verbonden, is de kwestie die Toulmin behandelt. Zijn in de zestiende eeuw de geesteswetenschappen nog maatgevend voor het beschavingsproject, in de zeventiende eeuw wordt dat erfgoed overvleugeld door de beweging naar de exacte wetenschappen. De verregaande rationaliteit en de formele logica winnen het van de onzekere menselijke maat. Het kristalheldere, statische, voorspelbare wereldbeeld wint het van het modderige, verschuivende, onvoorspelbare mensbeeld. Descartes wint het van Montaigne.
‘Zoals de zaken er nu voorstaan,' schrijft Toulmin, ‘is de behoefte om ons de redelijke en tolerante (maar verwaarloosde) erfenis van het humanisme weer eigen te maken groter dan de noodzaak om de systematische en perfectionistische (zij het stevig gewortelde) erfenis van de exacte wetenschappen te bewaren; maar uiteindelijk kunnen we niet zonder beide.' Toulmin wil terug naar een soort grass-roots filosofie en wetenschapsbeoefening. Hij wil niet meer vanuit grote, universele principes de dagelijkse problemen in onze complexe werkelijkheid benaderen, maar van onderop, vanuit de casus, vanuit het lokale, de concrete culturele en historische context, vanuit het verstaan van de beperkingen van de eigen tijd. Er zijn grenzen, zegt hij.
De menselijke ervaring en de menselijke praktijk moeten de grenzen van de wetenschap mede helpen bepalen. Het programma van het 16e eeuwse humanisme keert terug als begeleider van het 17e eeuwse exacte denken, betoogt Toulmin. Moet dus de ethiek als een blok aan het been van de vooruitgang gaan hangen? Almaar ‘nee' zeggen? Is het stellen van grenzen niet het scheppen van een nieuwe illusie van beheersbaarheid?
6.
In 1999, op de drempel van de 21e eeuw, woedt een filosofisch stormpje onder de Europese intellectuelen. Het is bijna tien jaar geleden, maar wie weet het nog? De geschiedenis zelf schoof een aantal problemen op het bordje van de opiniemakers, en stuurde het publicitaire geweld een andere kant op. Het denken over de Regels voor het Mensenpark laaide slechts af en toe en dan geheel volgens de wensen van Toulmin op casus-niveau op in bijvoorbeeld de nog niet zo lang geleden gevoerde discussie over embryoselectie. Soms is het goed wat stof te laten neerdalen rond een rel, om eerlijker te kunnen beoordelen waarover het nu werkelijk ging. Welke grenzen werden overschreden. Bij elke provocatie, bij elke ostentatieve stap over een al dan niet fictieve grens staat nu eenmaal een politieagent van de gevestigde angstige orde der overvoorzichtigen klaar om de overtreder een halt toe te roepen en verdacht te maken.
De Duitse denker Peter Sloterdijk wiens charisma evenzeer stoelt op zijn Siegfried-achtige gestalte als op de soms onnavolgbare poëzie van zijn formuleringen, - want mensen houden nu eenmaal van monumentale vaagheid - die reus van de provocatie, publiceerde, gedwongen door roddels en geruchten, een lezing die hij voor een select filosofisch gezelschap had gehouden. Natuurlijk begreep het gewone volk hem verkeerd, met als gevolg dat de lezing een opwinding veroorzaakte die Sloterdijk niet slecht moet zijn uitgekomen. Hoewel hij fulmineert tegen de oppervlakkigheid, de bestialiteit en de leugenachtigheid van de massamedia, is zijn roem zeker niet vreemd aan zijn handige omgang met diezelfde massamedia. Duitse denkers, zeker als ze Heidegger en Nietszche aanhalen, lokken nu eenmaal een Pavlovreactie uit: elitaire protserigheid, propaganda voor eugenetica, voor we het weten is het duizendjarig rijk terug. Hij overschrijdt alle grenzen van fatsoen en zindelijk denken, was de implicatie.
Ik was tien jaar geleden niet erg geschokt door zijn lezing, en nu, tien jaar later bij herlezing zo mogelijk nog minder, maar wel geïntrigeerd. De zijdelingse kritiek op de na-oorlogse duitse filosofie in de persoon van Habermas, die veel pennen in beweging bracht, was meer een greep van de kroonprins naar de macht in de stratosfeer van de filosofie dan een essentiële bouwsteen in zijn aardse argumentatie. Waarom was ik niet geschokt? Ben ik al het spreekwoordelijke hellende vlak eindweegs afgegleden? Nee. Het onderwerp, hoewel nog altijd goed voor gefronste wenkbrauwen, heeft zijn angstaanjagende werking verloren en is inmiddels in verschillende gedaanten onderdeel van het wetenschappelijk en maatschappelijk discours.
Sloterdijk is enerzijds een onheilsprofeet die de teloorgang van de humanistische Bildung betreurt. Anderzijds blijft hij zoeken naar nieuwe manieren om de toekomst vorm en de mensheid hoop te geven. De volgende gedachten en vragen destilleer ik uit zijn betoog: Het humanisme moet opnieuw geformuleerd worden. De temmende werking ervan moet worden behouden, de verantwoordelijkheid voor moeilijke oplossingen moet worden aanvaard, er moet een halt worden toegeroepen aan de ontremmende werking van de massamedia. Ingrijpen in de genetische structuur van de mens moet onderdeel uitmaken van de discussie. In hoeverre verschilt de sturende ingreep door de mens van de sturende ingreep door de natuur. Het denken over de manier waarop de mensheid zichzelf bestuurt en verbetert heeft altijd de component van beheersing gehad. Waar liggen de grenzen. Het hele betoog is doordrenkt van zorg over de grenzenloosheid van kennis en over de beheersing door Bildung.
Om ons te troosten merkt Sloterdijk op: ‘Het behoort tot het kenmerk van de humanitas dat mensen voor problemen geplaatst worden die te zwaar voor hen zijn, zonder dat ze zich kunnen voornemen ze vanwege hun zwaarte niet aan te pakken.' We kunnen ons niet verstoppen. De onderzoeker die almaar verder het onbekende terrein verkent, nieuwsgierig zijn weg vervolgend, kan niet niet-kennen, niet-weten, niet-zoeken. Hij kan niet besluiten terug te keren omdat over de weg die hij kapt oorlogstuig zal rijden.
De kennis zelf is moreel indifferent.
Maar de toepassing van kennis niet.
De onderzoeker heeft als onderzoeker geen last van scrupules, maar als mens wel. In zijn borst huizen twee zielen, zoals in Oppenheimer John Donne zong. Daar liggen de problemen die bijna te zwaar zijn. De cynicus zegt dat het kwaad onuitroeibaar is en dat we niet de illusie moeten koesteren door regels van zelfbeheersing het kwaad uit te kunnen schakelen. Wat de mens ontdekt zal hij gebruiken, ten goede of ten kwade. Een verbod helpt niet. In die opvatting acht ik de cynicus realist. In kwesties van wetenschap en ethiek en het overschrijden van grenzen is geïnformeerd doormodderen vooralsnog de enige route. De mogelijke aanwezigheid van het kwaad houdt ons scherp. En democratisch.
De zorg van Peter Sloterdijk over de teloorgang van het oude humanisme en de noodzaak de mens toch volgens de diepste principes van het oude humanisme te disciplineren opdat hij zich verweert tegen de ontremming die hem tegelijkertijd verleidt, komt tot uiting in de alom gehoorde roep om beter onderwijs, die de laatste jaren klinkt. Iedereen, maar dan ook iedereen, maakt zich zorgen, zowel de aanhangers van de oude systemen als de verkondigers van het nieuwe. Hun doel is gelijk: verantwoordelijke burgers opleiden met voldoende kennis en voldoende vaardigheden om belangrijke beslissingen te kunnen nemen of te kunnen beoordelen. Burgers die niet bang zijn grenzen te verleggen en te overschrijden opdat ze niet als murwe olifanten in een te kleine kooi de slurf stuk schuren aan een muur, burgers die zich tegelijkertijd bewust zijn van de risico's en de gevaren en die elkaar raadplegen, elkaar vasthouden, elkaar vertrouwen, elkaar bemoedigen. Dat willen we allemaal.
Denk niet dat het lukt. Het conflict is permanent en onoplosbaar. Wetenschap is goddelijk mensenwerk.
Als u dit nieuwe academische jaar begint, doe dat met de dromen van een kind, de overgave en precisie van Merian, het optimisme van Bernelot Moens, het verantwoordelijkheidsgevoel van Oppenheimer, het historische besef van Toulmin en de lust tot provoceren van Sloterdijk.
DE DROOM VAN NOORDERVLIET
Interview met Nelleke Noordervliet uit M, magazine van NRC Handelsblad
5 april 2008
tekst Paul Steenhuis beeld Krijn van Noordwijk
Amsterdam wordt deze maand Wereldboekenstad, een manifestatie ter bevordering van het vrije woord. Schrijver Nelleke Noordervliet wil die droom helpen verwezenlijken.
˜De droom van het vrije woord is niet meer te beperken tot stadsgrenzen of landsgrenzen. Kijk maar naar mensen als Salman Rushdie of Ayaan Hirsi Ali. Of de ophef rond de film van Wilders. Deze maand staat voor mij extra in het teken van het vrije woord. Want deze maand wordt Amsterdam een jaar lang Wereldboekenstad. Vanaf 23 april. Dat is een initiatief van Unesco, de culturele organisatie van de Verenigde Naties. Want de droom van het vrije woord " en dat is ook mijn droom van het vrije woord " is nog lang niet overal verwezenlijkt.
˜Om de discussie daarover te stimuleren, is het initiatief van de Wereldboekenstad genomen. Bogota, Colombia TMs hoofdstad, ging Amsterdam voor. Amsterdam heeft als thema Open Book, Open Mind gekozen. En het heeft drie boegbeelden aangewezen, die met de stad en het vrije woord verbonden zijn: Spinoza, Anne Frank en Annie M.G. Schmidt.
˜Ik schrijf naar aanleiding van Amsterdam Wereldboekenstad een soort wandeling door tijd en ruimte over Amsterdam en de traditie van het vrije woord: ˜Een stad vol boeken" heet het. Want kennis van de geschiedenis is een voorwaarde om het belang van het vrije woord te verdedigen. Amsterdam is traditioneel het centrum van het vrije woord, en dat moet zo blijven.
˜Sommige mensen zeggen dat het met de vrijheid van meningsuiting in Amsterdam sinds de moord op Theo van Gogh in 2004 slechter gesteld is. Daar ben ik het niet mee eens. Het was een verschrikkelijke en schokkende daad, maar ik heb niet de indruk dat mensen in de stad een blad voor de mond nemen, als ik kranten lees. Het was eerder een wake up call. En wrede herinnering aan het feit dat het vrije woord aldoor weer verdedigd moet worden, dat dat ideaal aldoor vorm gegeven moet worden.
˜Bij het vrije woord hoort overigens ook verantwoordelijkheid. Dat je staat voor wat je zegt, dat je je naam er aan verbindt. Alle anonieme vuilspuiterij en bedreigingen en beledigingen op bijvoorbeeld het internet, ik lig er niet wakker van. Rancune en perversiteit zijn onlosmakelijk met de mensheid verbonden, maar dat bedoel ik niet met het vrije woord.
˜Ik geloof in het vrije woord dat hoort bij de rechten en plichten zoals wij die in het Westen in onze grondwet hebben vervat. Er horen verantwoordelijkheden bij. Maar je moet vrijuit, zonder angst kunnen spreken.
˜Er wordt tegenwoordig wel gezegd: we moeten leren ons mondje te houden, uit respect voor andermans opvattingen. Je hoeft niet alles te zeggen, omdat je dan iemand anders kwetsen kan. Dat wil ik best, mijn mond houden om iemand niet te kwetsen. Maar alleen uit hoffelijkheid, niet uit angst. De gedachte ˜ik ben het niet eens met je mening, maar je hebt wel de vrijheid om hem te uiten" moet internationaal verder uitgedragen worden. ˜Hoe vrij was het woord in Amsterdam eigenlijk? Het antwoord op die vraag probeer ik in mijn boek te geven. Dat imago van Amsterdam als de veilige haven voor de vrijheid van meningsuiting komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Er wordt altijd een beetje schamper gedaan over ˜de grachtengordel" in Amsterdam, omdat daar zoveel schrijvers, journalisten, uitgevers, boekwinkels en antiquariaten geconcentreerd zijn. Dat is historisch zo gegroeid. Er is al eeuwen een hoge concentratie van boekdrukkers en uitgevers in het centrum te vinden, binnen één vierkante kilometer binnen de stadsmuren.
˜Amsterdam was sinds de zestiende en zeventiende eeuw het centrum voor zeevaart en handel, en daardoor ook het centrum voor cartografie. Zeelui kwamen in Amsterdam met kaarten die ze onderweg hadden uitgetekend, die werden uitgegeven, er verschenen boeken over stuurmanskunst. Die levendige handel en zeevaart staan dus aan de het begin van die drukkerstraditie in de stad.
Toen met de Opstand tegen de Spaanse koning vanaf 1568 de katholieken van het pluche verdreven werden, en in 1585 met de sluiting van de Schelde er een enorme stroom geschoolde immigranten Amsterdam binnenkwam, kreeg die drukkerswereld in de stad een enorme impuls.
˜Voeg daarbij de Unie van Utrecht in 1579, waarbij de gewesten Holland, Zeeland, Utrecht, Gelre en Groningen zich aaneensloten. Daarin stond dat de gewetensvrijheid werd erkend in Holland en Zeeland, en dat de andere gewesten dat konden volgen. Die vrijheid, zo vastgelegd, dat was uniek.
˜Deze gewetensvrijheid en de handelsvrijheid hebben de basis gelegd voor de vrijheid van het woord in Amsterdam. Censuur van de centrale overheid was er niet in het Nederland van die tijd, want er was nog geen eenheidsstaat, en dus ook niet een dominante overheid, zoals in Frankrijk. Maar de kerk probeerde natuurlijk nog wel invloed uit te oefenen; de lijst met boeken die de kerk liet verbieden is lang.
˜Zo werd het werk van Hugo de Groot, een rekkelijk protestant, officieel verboden. Maar dat betekende overigens niet dat het boek daardoor niet meer te krijgen was. De praktijk van het gedogen was in de zeventiende eeuw al aanwezig.
˜Want als onder kerkklokgelui een boek als dat van De Groot verboden werd, dan kwam van te voren soms even iemand van het wettelijk stadsgezag langs, de schepen, en die zei tegen de boekhandelaren: leg dat boek even onder de toonbank, dan hoeven we het niet in beslag te nemen. Dan werd het onder de toonbank verkocht, en dat werd gedoogd.
˜Zo werd door dat bewuste gedoogbeleid het vrije woord beschermd. Hoewel het ook wel mis kon gaan. Een van de aanhangers van Spinoza, een vrijdenker en arts Adriaan Koerbagh, stierf in 1669 in de cel, in het rasphuis. Hij had een boek geschreven waarin hij zich keerde tegen de kerk, Een Ligt schynende in duystere plaatsen, om te verligten de voornaamste saaken der Godsgeleerdtheyd en Godsdienst. Maar dat was een exces.
˜Koerbagh en zijn broer Johannes hoorden tot een groepje zeventiende-eeuwse Amsterdammers, zoals Baruch Spinoza en de ex-jezuiet Franciscus van den Enden, die verzameld waren rond een boekhandel Rieuwertsz. Zij hielden er zulke vergaande ideeën over God en democratie op na, dat ze als de grondleggers worden beschouwd van wat Jonathan Israel de ˜radicale verlichting" noemt.
Dat kon gebeuren omdat daar in Amsterdam de ruimte voor was, om zo te kunnen denken. Ook buitenlandse filosofen en geleerden, zoals Descartes en Comenius kwamen naar Amsterdam om in de relatieve vrijheid daar te werken. De eerste Hebreeuwse letters voor de drukpers werden hier ontworpen en gegoten, omdat joden hier de vrijheid hadden te drukken.
˜Dat systeem waarin het vrije woord kon bloeien, rond drukkers en uitgevers, heeft zich in de achttiende eeuw voortgezet; er kwamen uitgevers die werken van Voltaire en Diderot uitgaven die in Frankrijk niet gedrukt mochten worden.
˜Ik zie een ongebroken lijn in de geschiedenis van de traditie van het vrije woord op die ene vierkante kilometer binnen de stadsmuren van Amsterdam. Er waren ook weer uitgevers die bijvoorbeeld Multatuli stimuleerden zijn Ideeën uit te geven, en zo het vuurtje brandend hielden. In de twintigste eeuw was Amsterdam de plaats waar uit Duitsland gevluchte schrijvers een uitgever vonden, exil-uitgeverijen als Allert de Lange en Querido. En Amsterdam is nog steeds een stad waar gevluchte schrijvers tijdelijk onderdak geboden wordt door de gemeente.
˜Maar goed, zoals ik al zei: het vrije woord is niet langer een droom die zich beperkt tot stads- of landsgrenzen. Daarom moet de bescherming van een bedreigde schrijfster als Hirsi Ali ook niet bij onze grens ophouden."
Bron: NRC Handelsblad 2008
Snijpunt een Mulischiaanse roman? Pieter Steinz in gesprek met Nelleke Noordervliet.
Wie stond er model voor de literaire kluizenaar naar wie iedereen op zoek is? Hoe groot is de invloed van Mulisch' Ontdekking van de hemel op Snijpunt? En wat maakt Umbrië zo'n geschikte locatie?
Beluister hier het interview van Nelleke Noodervliet met Pieter Steinz in Lezen &cetera Live.
Arjan Visser interviewde Nelleke Noordervliet voor de Tien Geboden in Trouw, 09-02-2008.
Hier kunt u het hele interview nalezen.
Boek na boek uit behoefte aan erkenning
Door Arjan Visser
Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 1945) is schrijfster. Ze debuteerde in 1987 met Tine of De dalen waar het leven woont. Haar volgende romans werden vaak genomineerd voor en bekroond met literaire prijzen. Dit jaar verscheen bij uitgeverij Augustus haar nieuwe roman: Snijpunt.
I.
‘De verhalen over God - voor zover ik me die kan herinneren - waren een onderdeel van alle sprookjes die werden verteld. Als je een kleuter bent, kan dat allemaal: Sneeuwwitje bestaat, de zeven dwergen bestaan, God bestaat.
Op de lagere school schoof die God ineens vanuit het sprookje de werkelijkheid in. We werden klaargestoomd voor de eerste heilige communie en we moesten weten wat een zonde was. De school reikte daartoe plaatjesboeken uit waarin het haarfijn werd uitgelegd. De ziel werd voorgesteld als een geel rechthoekje en in die rechthoek bevonden zich allemaal bruine vlekken. Grote vlekken waren de doodszonden, kleine vlekken dagelijkse zonden. Als je die opbiechtte, werd je ziel gezuiverd. Om dat duidelijk te maken, gaven ze ons ook een soort stripverhaal te zien met in het eerste plaatje een jongetje. Een gewoon, braaf jongetje bij zijn moeder in de keuken. Erboven stond een afbeelding van God: een aardig uitziende man die vriendelijk op dat jongetje neerkijkt. In het volgende plaatje zien we uit een grijs wolkje een duiveltje tevoorschijn komen dat onmiddellijk zijn invloed doet gelden in die keuken: de jongen krijgt een donkerder blik en kijkt begerig naar een sinaasappel in de schaal die voor hem op tafel staat. "Pak die sinaasappel, pak die sinaasappel . . ." fluistert het duiveltje. En God krijgt een enorme frons tussen zijn wenkbrauwen.
Het duiveltje is in het volgende plaatje al een stuk groter en zwarter. Dan zie je het jongetje de sinaasappel pakken en de aardige man die God eerst was veranderen in een toornige, maar ook teleurgestelde figuur, terwijl het duiveltje overduidelijk triomfeert. En pats! Daar heeft het jongetje een vlek te pakken in het gele rechthoekje van zijn ziel. Even later zien we hem - met een pet op en een zak gestolen spullen op zijn rug - het beeld uit lopen: zijn ziel voorgoed aan de duivel verkocht.
Ik herinner me vooral dat ik dacht: als God al
